Etappe 7: Baiona – Vigo: 31 km – 497 HM+
Over vandaag… tja, wat kan ik zeggen? “Hoe meer regen, hoe meer zegen”? Laat ik het houden op: de zegeningen zitten goed verstopt onder een dikke laag regenwolken.
Het begint al voor dag en dauw met een flinke bui op het dak. Gelukkig hoeven we nog niet meteen op pad. Tegen de tijd dat we vertrekken – alles waterdicht verpakt, inclusief humeur – is het zowaar even droog. Hoopvol! Maar vandaag zijn droge momenten schaars, dus lang duurt dat niet. Al gauw is het officieel: Poncho-weer! Terwijl ik zelf een regenjas-en-broek-combinatie draag, trotseren de meeste pelgrims de buien gehuld in grote poncho’s – het wapperende uniform van de natte wandelaar.



INHOUD
Pelgrims aan tafel – ontbijt met herkenning
We stellen het ontbijt uit tot in Nigrán. Daar steken we de brug over en ploffen neer in een pelgrimsrestaurant. Koffie, tostada met boter en marmelade – basic maar heerlijk. Intussen zijn we doorweekt tot op het bot. De regen lijkt nog geen zin te hebben om te stoppen.


Wanneer we bijna klaar zijn met ons ontbijt, nemen drie Belgische dames plaats aan het tafeltje naast ons. Zalig om hier weer even dat vertrouwde Vlaamse accent te horen. Het duurt dan ook niet lang voor we aan de praat raken en we wisselen ervaringen uit over de camino.
Tot onze verrassing blijkt één van de dames ook leerkracht te zijn. Ze begeleidt sinds enkele jaren startende leerkrachten, voornamelijk zij-instromers – mensen die pas later in hun carrière voor het onderwijs kiezen. Haar verhalen zijn herkenbaar, al speelt zich dat bij haar af in een andere context dan de onze.
Vooral in de regio rond Brussel is de druk groot. Door het aanhoudende lerarentekort staan veel zij-instromers al snel voor de klas, vaak zonder voldoende voorbereiding of opleiding. Haar uitdaging is dan ook om hen, zo goed en zo kwaad als het kan, handvaten aan te reiken waarmee ze hun lessen op een degelijke manier kunnen geven. Ze vertelt met overtuiging en betrokkenheid over haar werk. Ondanks de verschillen in werkveld herkennen we veel van haar verhaal.
We nemen afscheid en stappen weer verder – eindelijk droog, en hoewel het nog bewolkt is, blijft het gelukkig droog. Dat alleen al voelt als een klein cadeautje.

Klimmen tussen bomen en dorpen.
De route gaat al snel stevig omhoog en onze kuiten krijgen flink wat te verwerken. Het pad wisselt voortdurend af: eerst trekken we door schaduwrijke stukken bos, dan weer langs stille dorpsstraten. Het contrast tussen natuur en bewoonde wereld maakt de tocht boeiend, maar het blijft een stevige klim.

Opmerkelijk is hoe stil het is. Geen idee waar de andere pelgrims gebleven zijn – het lijkt wel alsof we de enigen op pad zijn. Gisteren was het ook al zo rustig. We horen geen stemmen, geen voetstappen, enkel het kraken van onze schoenen op het natte grind.
Uit een kleine poel langs de weg klinkt het luide gekwaak van kikkers – een symfonie van het paarseizoen!? Verderop loopt een witte kat miauwend naar de poort van een huis. Ik vraag me af of ze gewoon naar binnen wil bij haar baasjes, of dat er iets met haar scheelt… Benaderen kunnen we haar alleszins niet; ze blijft op afstand, nieuwsgierig maar voorzichtig.

Geur als tijdmachine: Oranjebloesem en herinneringen.
Na de regen van vanochtend hangt de zoete geur van oranjebloesem in de dorpen extra krachtig in de lucht, terwijl het bos fris ruikt naar eucalyptus – geuren die je graag in een flesje zou willen stoppen en mee naar huis nemen. Als tiener hadden we thuis vroeger badschuim met oranjebloesem – zalig ruikend, zo fris en bloemig. Later heb ik die specifieke essence nooit meer echt teruggevonden. Ook al breng ik nu regelmatig douche- of badgel mee waarop het aroma van oranjebloesem staat aangegeven, het geurt nooit helemaal hetzelfde als die herinnering uit mijn jeugd.

Smelten of wandelen – Zweten in de regen.
De hoogtemeters blijven maar komen en eerlijk gezegd: zweten in regenkleding is ook een sport op zich. Mijn regenbroek gaat uit – het is simpelweg smelten of wandelen, want ‘warm’ is het wel.



Rond kilometer 17 vinden we eindelijk een plekje om even te pauzeren. Geen uitgebreide lunch, maar iets te drinken en een paar koekjes en een banaan om de energie weer wat aan te vullen. Niet ideaal, maar het houdt ons op de been. En kijk, daar zijn ineens weer andere pelgrims! Blijkbaar zijn we toch niet verdwaald geraakt in een parallelle Camino-dimensie. Het is aangenaam om weer even wat bekende Camino-energie om ons heen te voelen, al is het maar voor even.


Pijlen en plensbuien – Vigo laat zich niet makkelijk vinden.
In Vigo wordt het weer even spannend: de gele pijlen zijn niet goed aangegeven. Bart schakelt over op de app, en na een stukje door park en langs rivier vinden we gelukkig weer de Camino-borden terug. Nu op naar het hotel… dat ligt natuurlijk nog een stuk verder. Ondertussen breekt de zon héél even door – net genoeg om mijn regenjas om te toveren tot een mobiele sauna. Toch maar aanhouden, want de buienradar belooft nog een stevige plensbui. En jawel hoor: even later komt de regen met bakken uit de lucht. We schuilen onder een bushokje. Niet omdat we van suiker zijn, maar gewoon… omdat het echt even genoeg is.


Het hotel verschijnt als een geschenk uit de hemel, aan het einde van een dag die echt alles had: felle regen in de voormiddag, dan weer zon, miezerregen tussendoor en als afsluiter – alsof de Camino er nog eentje in petto had – een stortbui op het allerlaatste stuk. Doorweekt, vermoeid en met stramme benen stappen we naar binnen. Alleen nog even inchecken. Op papier een kleine handeling, maar na zo’n dag voelt zelfs dat als een opgave. Zeker omdat stil blijven staan me dan net het moeilijkst valt.
Lijf dat protesteert – als stilstaan zwaarder weegt dan stappen.
Ik voel me op zo’n moment altijd wat wiebelig. Zolang ik in beweging blijf of kan gaan zitten, gaat het goed. Maar zodra ik moet blijven rechtstaan, zakt mijn energie weg. Mijn ademhaling wordt oppervlakkiger, mijn hoofd licht, alsof mijn lijf niet meer weet wat het moet doen. Het is een gevoel dat ik herken van vroeger.
Tijdens de marathon in Valencia, in 2018, had ik precies hetzelfde. Na de finish voelde ik me niet alleen moe, maar ook compleet leeg. Mijn bloeddruk was te laag en in de goodiebag zat niks van zout – alleen noten, frisse mandarijnen en water. Pas toen ik in ons appartement tomatenschijfjes met peper en zout at, voelde ik mijn krachten langzaam terugkomen. Dat zout had ik blijkbaar écht nodig.
Ik vermoed dat het vandaag weer zoiets is: veel inspanning, veel gezweet, misschien nét iets te weinig gedronken of te weinig zout. Mijn lijf protesteert zachtjes, maar duidelijk. Gelukkig wacht boven die zalige douche – warm water, droge kleren, rust. Mijn benen geven het signaal: nu even níét meer bewegen. En daar geef ik met alle plezier aan toe.
Toch moeten we later opnieuw naar buiten om te eten – 30 kilometer brand je nu eenmaal niet weg op lucht. Regenjas weer aan, want ja, het regent nog steeds… en met een klein beetje tegenzin stappen we de avond in, op zoek naar iets warms en voedzaams. Comfort food, dat is het enige waar we op dat moment naar verlangen.

Een lepel troost – Tiramisu en nieuwe sokken
We belanden uiteindelijk in een klein Italiaans restaurantje, waar de keuze wat beperkt blijkt. Niet verwonderlijk, want ze gaan de volgende dag voor een week dicht vanwege Semana Santa. De menukaart is dus al wat uitgedund, maar er is nog pasta Carbonara – en dat klinkt op dat moment als muziek in onze oren.
De portie is lekker, maar net iets te bescheiden voor wandelaars met een stevige honger. De Camino heeft mijn eetlust in elk geval goed wakker gemaakt – mijn lichaam lijkt te schreeuwen om energie. Gelukkig volgt er nog een troost: de serveerster komt glimlachend aanzetten met een kommetje huisgemaakte tiramisu. “Van het huis,” zegt ze, als kleine afsluiter vlak voor hun vakantie. Twee lepeltjes erbij en wij delen het kleine feest in een kom. Zacht, romig, zoet – precies wat we nodig hadden na zo’n dag. En dat gratis dessert op een regenachtige avond? Dat voelde als een kleine, hartverwarmende traktatie.
Tot slot maken we nog een snelle tussenstop in het winkelcentrum – op zoek naar nieuwe sokken, bij voorkeur wat dunnere. Sinds ik dunnere sokken draag, heb ik minder last van mijn voeten. Waarschijnlijk zwellen ze onderweg wat op en omdat mijn schoenen aan de binnenkant vrij smal zijn, begint dat na een tijdje te wringen. De dunnere sokken geven net dat beetje extra ruimte. Alleen… de sokken die ik nu draag zijn eigenlijk geen wandelsokken, maar gewone exemplaren die ik oorspronkelijk had meegenomen om ’s avonds te dragen, na het wandelen. Niet echt ontworpen voor kilometerslange tochten dus – en dat merk ik snel: nog voor het einde van de dag zit er al een gaatje in.
En eigenlijk moet ik ook wel toegeven dat ik deze schoenen weinig tijd heb gegeven om in te lopen. Iets wat ik, met mijn moeilijke voeten, echt beter had moeten weten. Maar omdat ik eerder ook met Altra’s wandelde, dacht ik: dat komt wel in orde. Niet dus.
Terug in het hotel. Droog. Warm. Benen omhoog. De regen tikt nog steeds tegen het raam, maar hierbinnen heerst de rust. Alles voelt moe, maar voldaan. De schoenen staan te drogen, de rugzak ligt in een hoek en wij doen even helemaal niets meer. Op naar morgen – benieuwd wat die ons weer zal brengen.
