Etappe 11: van Caldas de Reis naar A Escravitude (Padrón): 30,2 km – 437 HM+
De nacht in het motel was kort. De matras keihard, voetstappen die plots stilvallen recht onder ons open raam… Dan het geblaf van een hond, steeds dichterbij, gevolgd door gehaaste stappen die weer verdwijnen in de nacht. Wat was dat!? Mijn haren overeind, mijn hart bonst in mijn keel. Het raam gaat dicht, muffe lucht of niet — dit voelt niet pluis. Het duurt een eeuwigheid voor ik eindelijk weer in slaap val. Veel rust levert het niet op, want voor ik het weet is het ochtend — en wat voor een ochtend…
INHOUD
Plensbuien en doorzetten
We vertrekken onder een gutsende regen…Het giet pijpenstelen!! Niet zomaar wat druppels, maar een serieuze zondvloed. Motivatie: ver te zoeken. Zin: nul-komma-nul!
Maar ja, stilstaan is geen optie, dus stappen we dapper de regen in – richting stad, terug over de lange, asfaltweg.
Anderhalve kilometer later zetten we ons doorweekt aan de ontbijttafel van een lokale taberna. Mijn schoenen soppen bij elke beweging. Letterlijk. We laten overal natte voetstappen achter en ik voel me lichtelijk gegeneerd. Even later komen er meerdere pelgrims binnen…allemaal even druipend van de regen…niemand maalt erom! Tijd voor koffie, tosdata en genieten van een droog moment.
Na het ontbijt besluiten we eerst nieuwe poncho’s te halen. De doorzichtige poncho van Bart is beginnen scheuren en biedt geen bescherming meer tegen de regen. Volgens de buienradar komt er weinig beters aan – het belooft eerder een waterballet dan een wandeling te worden.


En inderdaad, de regen valt stevig. Het is niet bepaald warm, maar tijdens het klimmen wordt het al snel benauwd onder al die lagen kleding en poncho…alsof we in een sauna lopen. Na een tijdje lijkt de regen af te nemen en denken we: hé, het ergste is voorbij. Tijd om wat lagen uit te trekken, zodat ons lichaam weer kan ademen en het vocht kan verdampen. Regenponcho en regenbroek uit.


Maar nog geen vijf minuten later slaat het weer om – BAM! Een onverwachte plensbui. De lucht kleurt donkergrijs, het water gutst naar beneden en wij staan weer helemaal nat. Regenbroek weer uit de rugzak, poncho terug over ons hoofd, maar nu dubbel zo nat en met het humeur diep onder nul. Die regen? Die ben ik ondertussen wel beu.

Ik heb duidelijk het aantal regendagen in april op de Camino zwaar onderschat. We zijn nog geen 10 km ver, hebben er nog 20 te gaan en zijn al twee keer doornat geworden. Mijn voeten zijn helemaal doorweekt. Ik begin me af te vragen hoeveel blaren deze dag gaat opleveren. Spoiler alert: géén enkele. Alleen de oude getrouwen blijven trouw aanwezig. Kleine meevaller.

Gelukkig komt er afentoe toch nog een beetje zon tussen de buien door. Net genoeg om ons even op te warmen en de positiviteit terug op te krikken.


Een welkom kerkje in O Gorgullón en Pimientos de Padrón.
Net wanneer we bij het pittoreske kerkje in O Gorgullón onze eerste stempel willen halen, barst plensbui nummer drie van de dag los. Zonder aarzelen snellen we met z’n allen naar binnen. Terwijl onze scheve rugzakken even mogen rusten, staan we in de rij voor de stempel — ons tastbare bewijs dat we weer een stukje dichter bij Santiago zijn.


O Gorgullón zelf is klein en rustig, maar ligt op een steenworp van Padrón — een naam die bij elke fijnproever een belletje doet rinkelen. Want wie Padrón zegt, zegt Pimientos de Padrón. Deze kleine groene paprika’s zijn niet zomaar een tapa, maar een culinaire verrassing met een verhaal.
Begin 17e eeuw reisde een Franciscaanse monnik naar de verre kusten van Zuid-Amerika en keerde terug met zaden van een pittige paprika uit de Mexicaanse regio Tabasco. Tot zijn verbazing gedijde de plant uitstekend in het vochtige Galicische klimaat. Vooral rond de kloosters en velden van Herbón, vlak bij Padrón, werden de eerste Pimientos geteeld. Al snel werden ze een geliefde delicatesse in heel Galicië.

Wat deze kleine groene pepertjes zo bijzonder maakt, is hun speelse onvoorspelbaarheid. De meeste zijn mild en vol van smaak, maar af en toe bijt je in een exemplaar dat venijnig scherp blijkt te zijn. Vandaar het Galicische gezegde: “Uns pican e outros non” — “Sommigen zijn scherp, anderen niet.”
Als je ooit in Padrón bent, móét je ze proeven: kort gebakken in gloeiendhete olijfolie, bestrooid met een flinke snuf grof zeezout en daarna warm uit de pan, vaak met je vingers gegeten en steeltje voor steeltje weggeplukt. Simpel, eerlijk en verslavend lekker.



Het is zo’n typisch moment op de Camino: regen buiten, een serene stilte binnen, de geur van natte jassen en zweet, maar ook de glimlach van medepelgrims die allemaal hetzelfde doel delen. Buiten houdt de regen het voorlopig niet voor bekeken, maar wij ook niet. We trekken de capuchons terug over ons hoofd en stappen verder. Nog een paar kilometer tot Padrón — en daar wachten, naast een droge lunchplek, hopelijk ook een portie dampende, zoute Pimientos de Padrón. Laat de regen maar vallen: onze beloning is onderweg. Helaas komen we in Padrón precies op het moment dat de meeste restaurants net sluiten voor de middagpauze. Gelukkig vinden we nog een overdekt terras waar we een eenvoudige, maar smakelijke lunch met salade en calamares kunnen bestellen. Voor wie wil, staat ook de beroemde pulpo a la gallega — de Galicische octopus — op het menu, maar die laten we aan ons voorbijgaan.

Een warm welkom na de regen
Na de lunch rest ons nog 5,5 km, en natuurlijk… de laatste twee kilometer trakteert Moeder Natuur ons nog eens op een finale douche. Helemaal doorweekt arriveren we bij Hostel/Auberge Villavieira, maar wat een warm welkom! De eigenaar is vriendelijk, alles is nieuw, en we krijgen meteen uitleg over het reilen en zeilen van de plek. Douche in, kleren uit. Zalig. Bart brengt de was naar beneden – voor 5 euro wordt alles gewassen én gedroogd. Wat een luxe!

’s Avonds eten we pasta met tonijn en tomatensaus – homemade by Bart. Lekker warm, simpel en precies wat we nodig hadden. We sluiten af met een theetje in de gezellige keuken, en dan duiken we in bed. Wat een verschil met gisteren… wat een verademing!
Het is tijdens deze camino-tocht de eerste keer dat we in een auberge verblijven en de sfeer is meteen anders. Ook al hebben we niet veel contact, de familiale sfeer tussen de pelgrims is direct voelbaar. Het is ook leuk om te luisteren naar de verhalen van anderen: waar ze vandaan komen, wat hun doel is…
Moe, nat, maar voldaan. Op naar morgen!
